In steeds meer bedrijven werken mensen met verschillende moedertalen samen. In de logistiek, de zorg, de bouw en de techniek is een team zonder internationale collega’s eerder uitzondering dan regel. Engels is dan vaak de voertaal, maar in de praktijk werkt dat niet altijd. Werkinstructies, veiligheidsborden en het gesprek bij de koffieautomaat zijn meestal gewoon in het Nederlands.
Wie de taal niet spreekt, mist daardoor veel. Dat gaat om informatie over het werk, en evengoed om het informele deel: grapjes, overleg in de pauze en afspraken die even snel tussendoor worden gemaakt. Dat maakt het lastiger om je thuis te voelen in een team.
Waar taal op het werk het verschil maakt
Het duidelijkst is het bij veiligheid. Een monteur die een waarschuwing niet goed begrijpt, of een verpleegkundige die een overdracht half volgt, loopt meer risico op fouten. Ook in klantcontact telt taal: een servicemonteur die de klant thuis kan uitleggen wat er aan de hand is, maakt een betere indruk dan iemand die moet gebaren.
Daarnaast speelt doorgroei mee. Medewerkers die alleen Engels spreken, komen in Nederlandse organisaties minder snel in aanmerking voor een rol als teamleider of planner. Taalvaardigheid bepaalt dan mede hoe lang iemand blijft.
Taalniveau realistisch inschatten
Taalvaardigheid wordt meestal beschreven met het Europees Referentiekader, van A1 (beginner) tot C2 (bijna moedertaalniveau). Voor eenvoudige gesprekken op de werkvloer is A2 een redelijke ondergrens. Wie zelfstandig met klanten of patiënten praat of rapportages schrijft, heeft eerder B1 of B2 nodig.
Ga bij de start na welk niveau iemand nu heeft en welk niveau de functie vraagt. Het verschil tussen A1 en B1 is met een gerichte cursus in enkele maanden te overbruggen, mits iemand er wekelijks tijd voor heeft en de taal ook op het werk gebruikt.
Taaltraining die aansluit op het werk
Algemene taalcursussen beginnen bij boodschappen doen en de weg vragen. Dat is nuttig, maar een magazijnmedewerker heeft sneller iets aan woorden als orderpicken, pallet en retourzending. Trainingen die vertrekken vanuit de eigen werkcontext leveren daarom vaak sneller resultaat op.
Aanbieders zoals Speak And Spoke geven taaltraining aan internationale medewerkers, zowel klassikaal als in-company. Voor teams met wisselende diensten werkt een online vorm soms beter: medewerkers volgen lessen op een moment dat in hun rooster past. Via speakandspoke.nl lees je hoe zo’n online leertraject is opgezet.
Spreek vooraf af hoeveel uur per week een medewerker aan de cursus besteedt en of dat onder werktijd valt. Medewerkers die na een volle dienst nog moeten leren, haken sneller af.
Wat collega’s zelf kunnen doen
Training alleen is niet genoeg. Een nieuwe taal leer je vooral door die te gebruiken, en daar helpen Nederlandse collega’s bij. Spreek rustig, vermijd dialect en afkortingen, en schakel niet direct over op Engels als iemand een woord zoekt. Geef iemand de ruimte om een zin af te maken.
Ook op organisatieniveau kun je veel doen. Maak werkinstructies korter, met pictogrammen en korte zinnen. Koppel een nieuwe collega aan een vaste maatje die vragen beantwoordt. En plan na drie en zes maanden een gesprek waarin je naast het werk ook bespreekt hoe het met de taal gaat en wat iemand nog nodig heeft.
